Het was die tijd van het jaar. De kerstboom stond opgesteld in de vergaderzaal van het ministerie van Algehele Verwarring. Glinsterende kerstballen weerspiegelden de ietwat gespannen gezichten van de ministers. Dit was niet zomaar een bijeenkomst, het was hét jaarlijkse kerstdiner. Iedereen was aanwezig, van de minister van Onvoorstelbare Innovaties tot de staatssecretaris van Bedilzucht en Bemoeienis. Dit was geen normaal etentje met collega’s maar een slagveld met een tafelschikking.
Op het menu stond ambachtelijk bereide zondebokjes. Een op de licht getinte huid gebakken risee welke op een knapperig bedje van onderscheid en verschil zou worden opgediend in een zoetzure fobie van haat en razernij. Als velouté een wrange leugen pap op basis van bikkelharde Maccabi nootjes welke op een hoge temperatuur waren gesmoord in zoute jokkebrokjes. Door tob koks wordt deze bouillon ook wel likkebaardend ‘de Joodse penicilline’ genoemd.